 | Tijdens de herfstwandeling ga je kijken of je dieren ziet. Probeer te
onthouden welke dieren je allemaal gezien hebt. |
 | Als je terug bent, dan krijg je van mij een blaadje. Hierop schrijf je de
namen van dieren die je gezien hebt. |
 | Je kiest er eentje uit. Over dit dier schrijf je dan een verhaaltje, een
versje of een liedje. |
 | Voordat je dit doet, ga je nadenken over wat jouw dier in de herfst doet. |
 | Als je het verhaaltje, liedje of gedichtje schrijft, dan moet het volgende er
in staan: |
 | Het verhaaltje moet meer dan 20 regels lang zijn |
 | Het dier moet een naam hebben. Bijvoorbeeld: Egel Eggie. (Je mag niet
dezelfde naam kiezen, dan hier voor gedaan staat) |
 | Het dier beleeft iets leuks |
 | Je schrijft op wat het dier allemaal doet in de herfst. (Als je dit niet
weet, dan ga je kijken bij ‘infobronnen’) |