

Lees het volgende verhaal:
Een huisdier voor Boem,
Boem
zuchtte diep. Meneer Konijn merkte het niet. Hij keek juist naar een mier die
een grote broodkruimel wegsleepte. Boem zuchtte nog dieper.
“Is
er iets?” vroeg meneer Konijn.
“Ik
wou dat ik groter was,” zei Boem. “Dan kon ik een huisdier nemen.”
‘Waarom
moet je dan groter zijn?’
“Ik
kan toch geen hond nemen,” zei Boem. “Of een ezel of een varkentje. Die zijn
nog groter dan ik.”
Meneer
Konijn dacht even diep na. “Dan moet je een kleiner dier nemen. Deze mier
bijvoorbeeld, dat is een erg leuk huisdier. Maakt weinig herrie, eet niet veel
en zijn poepjes zijn zo klein dat je ze niet eens hoeft op te ruimen!”
Boem pakte de mier op om hem beter te
bekijken. Ze aaide hem. Toen drukte ze hem stevig tegen zich aan: “Gezellig
hč?” zei ze tegen de mier. Maar de mier gaf geen antwoord.
Boem
keek naar haar mier, hij viel op de grond.
“Meneer
Konijn!” Boem begon heel hard te
huilen.
‘Wat?
Wat is er gebeurd?’
“Mijn
mier is dood”. Meneer Konijn kreeg tranen in zijn ogen. ‘Wat vreselijk.
Hoe
kan dat nou?’
“Ik
wilde hem alleen maar knuffelen,” snikte Boem.
“En nu is hij ineens helemaal plat.”
‘Hij
was lief,’ zei meneer Konijn bedroefd. ‘Maar misschien iets te klein om te
knuffelen. We zullen hem begraven. Ze
zochten een mooie steen uit, daaronder zouden ze de mier begraven. Samen tilden
ze de steen op.
‘Kijk
nou,’ zei meneer Konijn verbaasd.
Ze
gingen op hun buik in het gras liggen. Onder de steen liepen een heleboel
kleine beestjes. Grijze beestjes met een platte brede rug. Nog meer mieren. Een
beestje met zoveel poten dat Boem ze niet eens kon tellen.
“Wat
heeft die nou op zijn rug?” vroeg Boem. Aan de onderkant van de steen kleefde
een beestje met een schelp op zijn rug.
‘Dat is zijn huisje,’ zei meneer Konijn.
‘Dat is nou een echt huisdier!’
Maar toen Boem hem van de steen pakte,
verdween het beestje heel snel in de schelp. Boem zag ook een kaal roze
sliertje, het kroop over de grond.
“Die heeft niet eens poten,
maar hij kan toch lopen.
Zou
hij ook kunnen vliegen?” vroeg Boem.
‘Onmogeljik,’
zei meneer Konijn. ‘Voor vliegen heb je vleugels nodig. Kijk maar naar de
vogels.’
Boem keek omhoog. Recht boven haar hoofd
zweefde een klein beestje. Het had acht pootjes, maar geen vleugels.
“Deze
niet,” riep Boem. “Deze kan vliegen zonder vleugels.”
Meneer
Konijn keek: ‘Je hebt gelijk.’
Hij
klom onmiddellijk in de dichtstbijzijnde boom.
‘Als
hij het kan, kan ik het ook,’ mompelde hij en sprong.
BOEM………
Daar lag hij op de grond.
‘Ik
wist het wel,’ zei hij toen hij op de grond lag. ‘Het is toch echt onmogelijk.’
“Kom
eens kijken,” riep Boem. Ze hield een heel dun draadje vast. Daaraan hing het
kleine beestje. Meneer Konijn tuurde naar de spin en werd kwaad:
“Ja,
dan is er geen kunst aan. Jij speelt vals, mannetje!”
Maar
Boem liep trots met haar nieuwe huisdier aan het lijntje.
“Kom,”
zei ze. “Het baasje gaat je uitlaten…”


![]()
