| Onderdeel |
goed |
voldoende |
matig |
| Zoeken
van informatie, verwerken van de antwoorden. (kloppen de antwoorden,
kloppen de zinnen en zijn de woorden goed gespeld?) |
De
antwoorden zijn juist, de zinnen zijn goed en je hebt bijna geen
spelfouten. |
De
antwoorden kloppen ongeveer. Je hebt niet te veel spelfouten en je kan de
zinnen volgen. |
De
antwoorden kloppen niet helemaal, je zinnen zijn moeilijk te lezen en je
hebt veel spelfouten. |
| Voorbereiding
van het feest. (is overal aan gedacht, is er een overzicht van de plannen
en eventueel samenwerking?) |
Er
is een overzicht van de plannen, een overzicht van wie wat doet en een
overzicht van wat er moet gebeuren. |
Je
weet ongeveer wat je moet doen en wanneer en hebt dat ook op papier
gezet. |
Je
weet ongeveer wat je moet doen, maar niet wanneer en met wie. Je hebt geen
plannen op papier gezet. |
| Producten
naar aanleiding van het feest. (zijn de uitnodigingen duidelijk en correct
geschreven? Zijn er ook posters gemaakt? Klopte de planning?) |
Je
hebt mooie uitnodigingen gemaakt die passen in het thema. Er is aanvullend
materiaal zodat iedereen weet van het feest. Er zijn geen vragen. |
Je
hebt uitnodigingen gemaakt waar de tijd en plaats op staat. Iedereen weet
wat ongeveer de bedoeling is. |
Je
hebt geen of slechte uitnodigingen gemaakt, geen planning en niemand weet
van het feest af. |
| Uitvoering
van het feest. (Past alles in het thema, is alles volgens de planning
gegaan? Heb je gebruik gemaakt van de hulp van mensen?) |
De
klas was versierd, er waren hapjes in het thema en iedereen hielp mee.
Daar was een plan voor gemaakt. Je was vlot klaar met opruimen. |
De
klas was versierd. Je had hulp bij het opbouwen en opruimen. |
De
klas was een beetje versierd en op het laatste moment had je nog hulp. Er
waren geen hapjes en muziek in het thema. |